Kerk in de fluessen

verdronken land van elahuiZen

Dr. Hans Koppen

Zacht deint hij op de golven van de Fluessen: een zwart-gele boei, ongeveer 150 meter uit de oever. Talloze verhalen gaan er over deze plek. Kronieken spreken over een dorp dat door het meer verzwolgen is. De bodem zou nog vol gevaarlijke stenen liggen - kom niet in de buurt of je schip gaat ten onder! In de droge zomers van 1911 en 1921, toen het waterpeil extra laag stond, staken hier zomaar houten palen uit de golven omhoog. Naar men zegt dreven ooit op deze plek na een hevige storm houten lijkkisten rond… Zeker is dat de schipper die geen rekening houdt met de waarschuwingston hier met zijn schip hard aan de grond kan lopen.


Eén groot veengebied

Het verhaal van het landschap van Zuidwest Friesland begint in de ijstijden. Gletsjers uit Scandinavië schoven hier niet alleen grote hoeveelheden stenen en keileem naartoe - de kern van de heuvels van Gaasterland en van Koudum zoals we die nu kennen – maar schuurden ook een langgerekte laagte uit. Tegenwoordig liggen daarin het Heegermeer, de Fluessen en De Morra. Na de ijstijden begon vanuit die vochtige laagte veen het land te overgroeien en te bedekken. Daardoor lag hier zo’n duizend jaar geleden een uitgestrekt, vier à vijf meter dik veenpakket. Het landschap zag er in die tijd totaal anders uit dan nu: veel moerassen, enig golvend reliëf, sporadisch wat berken- en elzenbosjes, maar vooral… een eindeloze leegte. Meren waren in de verste verte (nog) niet te bekennen. Wel liepen er kleine riviertjes door het veen. Eén van die veenriviertjes, de Grûns, ontsprong waar nu de Aldegeaster Brekken liggen. Vanaf ongeveer het jaar 900 gebruikten kolonisten dat riviertje om het veengebied binnen te trekken en het te gaan ontginnen.

Een zelfveroorzaakte ramp

De eerste boeren groeven afwateringssloten om het moerassige gebied droog en toegankelijk te maken. Daardoor daalde echter het landoppervlak en werd de streek vatbaar voor overstromingen, ook vanuit zee. De ontginners riepen die overstromingen (onwetend) dus zélf over zich af. Door zeewater overstroomd veen was niet langer bruikbaar voor de landbouw maar wel geschikt voor zoutwinning. Die winning noemen we selnering. Daarbij verbrandde men eerst verzilte turf. Vervolgens werd de zoute as daarvan, vermengd met zeewater, in grote ketels ingedampt totdat het ruwe zout uitkristalliseerde. Uit een kubieke meter veen kon 10 tot 15 kg zout gewonnen worden. Namen als Sâltpoel (bij de Sneekermeer), Brandeburen (It Heidenskip) en Brandemar herinneren ons aan de zoutwinning die in deze streek heeft plaatsgevonden. Zout was vroeger buitengewoon belangrijk voor het conserveren en bewaren van voedsel. In tijden van schaarste konden daardoor meer mensen overleven. Inklinking, turfgraven, golfafslag en zoutwinning zorgden, samen met bos- en veenbranden ervoor dat de wateroverlast in Zuidwest Frieland toenam en dat de meren op agressieve wijze steeds groter werden. Of, zoals krantenman Jacob Hepkema (1845-1919) eind negentiende eeuw schreef: ‘... in het gemeen kan men zeggen, dat de groote wateren van ons gewest heel wat land in de bek nemen, als men ze vrij spel laat.’


ElahuiZen verZwolgen

Elahuizen is één van de dorpen die daar het slachtoffer van zijn geworden. In oude kronieken lezen we dat het dorp in 1543 voor het eerst door de golven van de Fluezen werd bedreigd. In 1578 was dat opnieuw het geval. In 1649 richt het woedende water zóveel schade aan dat de Staten van Friesland subsidie geven voor het herstel van de kerk. Het mocht niet baten. In 1652 moesten kerk en kerkhof enkele honderden meters zuidwaarts worden verplaatst. Daarmee was de lijdensweg van Elahuizen nog niet ten einde. Goed 30 jaar later worden kerk en kerkhof op de nieuwe plek wéér door de golven overspoeld. Elahuizen bestond niet meer.

Let op tijdens het varen!

Het zijn de restanten van de rond 1680 verwoeste Elahuizer kerk die tegenwoordig door de zwart-gele waarschuwingsboei in de Fluessen worden aangegeven. Vlak ten zuiden van die boei liggen, soms op een diepte van niet meer dan een halve meter, grote funderingsstenen, houten palen en talloze ‘Friese geeltjes’ op de meerbodem. Wie niet oppast, loopt aan de grond!

Het nieuwe Elahuizen

Van het dorp restten na de overstromingen niet meer dan enkele verspreide woningen. De overige panden waren door het water verwoest. Maar - er is toch nog steeds een dorp Elahuizen, mét een kerk? Dat is zo, maar dat is eigenlijk het oude buurdorpje daarvan: Nijega geheten. Nijega is in 1967 op verzoek van de posterijen herdoopt in Elahuizen. Er waren namelijk méér Nijega’s in Friesland, en dat vonden ze bij de PTT maar verwarrend.

BRON TEKST: HISTORISCH TIJDSCHRIFT FRYSLAN, BRON KAART: FRIESLANDOPDEKAART.NL, FOTO: HANS KOPPEN